Mensen die autisme hebben, hebben een stoornis in het omgaan met andere mensen en dingen. Al vanaf een hele jonge leeftijd hebben ze moeite met het maken van contact met anderen. Alle contacten die iemand met autisme met anderen heeft, gaan anders dan normaal. Iemand met autisme snapt niet hoe andere mensen zich voelen. Als een persoon met autisme iemand anders ziet huilen, dan snapt hij of zij niet dat deze persoon verdriet of pijn heeft. Ze kunnen hier dan bijvoorbeeld hard om gaan lachen. Een persoon zonder autisme snapt dat je iemand die huilt niet gaat uitlachen, maar juist gaat troosten. Mensen met autisme kunnen dat niet begrijpen en weten dus niet hoe ze daar mee om moeten gaan.
Als je broer of zus autisme heeft, doet hij of zij het liefst veel hetzelfde: sommige dingen vinden ze zo leuk, dat ze dat altijd wel kunnen doen. Ook vinden mensen met autisme het fijn om te weten wat ze wanneer gaan doen. Het liefst gaan ze elke dag op precies dezelfde tijd uit bed, eten en slapen. Voor mensen met autisme geeft dit een rustig gevoel: zo weten ze waar ze aan toe zijn.
Mensen met autisme hebben vaak moeite met het praten met andere mensen. Hoeveel moeite ze hier mee hebben, kan per persoon heel erg verschillen. Sommige mensen met autisme kunnen helemaal niet praten, anderen kunnen goed praten, maar weten niet goed wat alles betekent. Als je tegen iemand met autisme zegt ‘ik schrik me een hoedje!’, kunnen ze niet goed snappen dat je dan natuurlijk niet écht een hoedje op hebt. Mensen met autisme vinden het lastig om ‘zomaar’ met iemand te praten. Een praatje maken bij de supermarkt of de bushalte is voor de meeste mensen heel normaal. Voor mensen met autisme is dit erg moeilijk.
Hoe erg iemand last heeft van autisme, kan heel verschillend zijn. Sommige mensen snappen niks van de wereld om zich heen, kunnen niet praten en wonen hun hele leven in speciale tehuizen. Andere mensen lukt dit veel beter en kunnen met een beetje hulp goed in een hun eigen huis wonen. Er zijn dus veel verschillende soorten autisme. Twee vormen van autisme die vaak voorkomen heten ‘autistische stoornis’ en ‘syndroom van Asperger’.
Hieronder zullen per vorm de kenmerken worden opgenoemd. Of je broer of zus een vorm van autisme heeft, kan alleen worden vastgesteld door een hulpverlener. Hieronder vind je een aantal kenmerken die vaak voorkomen bij mensen die een vorm van autisme hebben. Een hulpverlener kijkt of jouw broer of zus deze kenmerken ook heeft. Als deze kenmerken bij je broer of zus ook aanwezig zijn, wordt de diagnose ‘autistische stoornis’ of ‘syndroom van Asperger’ gesteld.
Van de onderstaande kenmerken moeten in totaal minstens zes kenmerken voorkomen. Deze kenmerken moeten komen uit punt 1, 2 én 3.
1. Sociale interactie (problemen met het omgaan met andere mensen)
- Problemen in het non-verbale (dit is: zonder praten) gedrag naar andere mensen (bijvoorbeeld mensen niet aankijken, een rare houding of niet-passende gezichtsuitdrukking hebben).
- Geen goed contact met mensen van dezelfde leeftijd kunnen opbouwen.
- Niet kunnen snappen hoe iemand anders zich voelt (bijvoorbeeld, niet blij kunnen zijn voor iemand anders).
- (Sociaal) gedrag en gevoelens zijn niet gericht op andere mensen. Niet kunnen reageren op sociaal gedrag en gevoelens van anderen.
2. Communicatie
- Taalproblemen of een achterstand in het praten.
- Niet met anderen een gesprek kunnen beginnen of een gesprek goed kunnen volhouden.
- Steeds dezelfde woorden gebruiken of praten op een rare manier.
3. Gedrag
- Maar een paar interesses hebben, maar daar dan abnormaal veel mee bezig zijn en veel vanaf weten.
- Bepaalde (dwangmatige) gewoontes en rituelen hebben.
- Op een rare manier bewegen.
- Heel erg gehecht zijn aan bepaalde voorwerpen (bijvoorbeeld, het wiel van een speelgoedautootje).
De kenmerken van autisme zijn al aanwezig voor de leeftijd van drie jaar. Dit is dan te zien aan hoe ze met andere mensen omgaan, hoe ze praten en communiceren met anderen en hoe ze spelen met andere kinderen.
Het syndroom van Asperger lijkt op de autistische stoornis. Iemand die Asperger heeft, heeft vaak minder kenmerken dan iemand met een autistische stoornis. Mensen met het syndroom van Asperger hebben meestal geen taalproblemen. Ze zijn vaak juist goed in taal. Vaak functioneert iemand met het syndroom van Asperger beterdan iemand met een autistische stoornis.
Van de onderstaande vier kenmerken moeten er minstens twee voorkomen:
- Problemen in het non-verbale (dus: zonder praten) gedrag naar andere mensen (bijvoorbeeld mensen niet aankijken, een rare houding of niet-passende gezichtsuitdrukking hebben).
- Geen goed contact met mensen van dezelfde leeftijd kunnen opbouwen.
- Niet kunnen snappen hoe iemand anders zich voelt (bijv. niet blij kunnen zijn voor iemand anders).
- (Sociaal) gedrag en gevoelens zijn niet gericht op andere mensen. Niet kunnen reageren op sociaal gedrag en gevoelens van anderen.
Daarnaast nog de volgende kenmerken:
- Maar een paar interesses hebben (en daar abnormaal veel vanaf weten of mee bezig zijn). Steeds hetzelfde (vreemde) gedrag vertonen. Steeds met dezelfde dingen bezig zijn.
- Geen achterstand in de taalontwikkeling.
- Geen stoornissen of problemen met het denken (wat wel vaak zo is bij mensen met een autistische stoornis).
Autisme en het syndroom van Asperger zijn lastige stoornissen. Er bestaan nog meer vormen van autisme, maar deze twee komen het vaakst voor. Als bij je broer of zus niet genoeg kenmerken van autisme of het syndroom van Asperger aanwezig zijn, wordt vaak gezegd dat hij of zij dan PDD-NOS heeft. Dit betekent dat je broer of zus wel kenmerken heeft van een autistische stoornis of het syndroom van Asperger, maar niet voldoende om een ‘officiële’ diagnose te stellen. Dit betekent natuurlijk niet dat je broer of zus het niet heel lastig kan vinden om met andere mensen om te gaan en vreemd gedrag kan vertonen.
Jorinde Klungers, GGNet Apeldoorn
download hier de informatiekaart over Autisme (pdf)
Nog meer weten? Neem ook eens een kijkje op: deze site.